ANBO-lid Toon Capel

ANBO-lid Toon Capel (96) blikt terug op een leven dat nog altijd draait om het helpen van de zwakkeren in de samenleving.

ANBO-lid Toon Capel (96) is in zijn woonplaats Purmerend een beroemdheid dankzij zijn grote maatschappelijke betrokkenheid. In het ‘WoonKollektief’, waarvan hij in de jaren tachtig een van de initiatiefnemers was, blikt hij terug op een leven dat nog altijd draait om het helpen van de zwakkeren in de samenleving.

Geconcentreerd schenkt Toon Capel een kop thee in voorzijn bezoek. Hij is aan één oog blind en het andere functioneert nog voor 70 procent. “Ik schenk er nog wel eens net naast. Versleten, zegt de dokter. Ze kunnen alleen nog wat doen om het proces van achteruitgang te vertragen. Ik krijg eens in de zes weken een injectie en ‘s morgens en ‘s avonds druppels.” De ogen van Capel gaan dan ook al even mee, 96 jaar om precies te zijn. Ze hebben de werkloosheid van de jaren dertig gezien, de Duitse bezetting en het Indonesië van tijdens de Onafhankelijksoorlog die daarna kwam. “Ik wilde eigenlijk niet naar Nederlands-Indië. Ik heb in mijn kazerne in Den Haag nog geflyerd en geplakt tegen uitzending”, vertelt Capel met een zangerig Noord-Hollands accent.

Niks aan overgehouden

Hij kon het niet voorkomen. Drie jaar lang werkte hij als hospik en vertrouwensman van zijn peloton in een door jungle overheerst gebied ter grootte van de provincie Utrecht. Twintig van de achthonderd man uit zijn bataljon overleefden het niet. Dat was relatief weinig volgens Capel, andere verloren er veel meer. “Nee, ik heb er mentaal niks aan overgehouden. Werken als hospik in Indië is iets anders dan als hospik op de invasiestranden in Frankrijk. Dat was een en al bloed. Bij ons was dat niet zo.”

Hartstikke verkeerd

Toch laat het onderwerp hem niet onberoerd. Hij heeft nog helder voor de geest hoe de strijd ten einde kwam tijdens de soevereiniteitsverklaring in Midden-Java. “Ik stond er vanaf de zijkant naar te kijken. Hoewel ik die operatie hartstikke verkeerd vond, greep het me aan toen die rood-wit-blauwe vlag naar beneden ging. Het was de erkenning van een nederlaag.” Tegelijk was het een mooi moment. De Nederlandse compagniescommandant en die van de Indonesische krijgsmacht ter plaatse noemden hem en zijn kompaan bij naam en toenaam en bedankten hen voor de medische hulp die ze de bevolking hadden gegeven.