Investeren in wijken en wonen voorkomt onnodige zorg

Geschreven voor 'Zorg in de buurt' van Coincide, januari 2019

De juiste zorg op de juiste plek

Liane den Haan, directeur-bestuurder ANBO

Met enige regelmaat horen we de roep om de terugkeer van verzorgingshuizen in Nederland. Het verzorgingshuis als duizenddingendoekje tegen de vergrijzing en de groeiende vraag naar zorg. Voor anderen welteverstaan, want zelf hebben mensen vaak heel andere ideeën over hun oude dag. De onderliggende vraag, ‘hoe richten we onze samenleving in op een snel vergrijzende bevolking’, vereist vele en vooral complexe oplossingen. Wanneer beleidsmakers het aandurven om écht op zoek te gaan naar oplossingen, dan durf ik te zeggen dat de sleutel bij wonen en wijken ligt. De juiste zorg op de juiste plek is vaak geen zorg.

Lees ook: Wel, of juist geen verzorgingshuis

De situatie

Het percentage zelfstandig wonende senioren, die ook zelfstandig willen blijven als ze zorg en ondersteuning nodig hebben, schommelt in ANBO-onderzoeken al jaren rond de 90 procent. Dit zegt iets over hun wensen en over de manier waarop mensen hun oude dag zien. Het rijksbeleid is hierin mee gegaan, deels vanwege cultuurverandering bij ouderen zelf, deels uit bezuinigingsoogpunt. Van de 85 tot 89-jarigen woont driekwart nog zelfstandig, van de 90 tot 95-jarigen nog zestig procent. Pas boven de 95 jaar woont een meerderheid (57 procent) in een verzorgings- of verpleeghuis (Den Draak, 2010; De Klerk, 2011 in Langer zelfstandig; CPB, 2017).

Hóe men oud wil worden en hoeveel invloed men daarop heeft, verschilt. Oorzaken daarvoor zijn onder anderen de beschikbaarheid van middelen en persoonlijke hulpbronnen - inkomen en vermogen, sociaal netwerk, opleidingsniveau en gezondheid (CPB, 2017) - en de diversiteit van de groep. Zo heeft het Nivel toekomstige ouderen geprofileerd in vier categorieën: proactieve- (46 procent), zorgwensende- (28 procent), machteloze- (16 procent) en afwachtende ouderen (10 procent). De mate van gewenste zelfredzaamheid en de mate waarin mensen daar ook echt verantwoordelijk voor kúnnen zijn, verschilt, evenals de ervaren levenskwaliteit, de grootte van het sociale netwerk en hun sociaaleconomische status.

De diversiteit binnen een groep mensen die als ‘ouderen’ wordt gedefinieerd, is enorm en het is dan ook niet raar om te stellen dat het woningaanbod rekening moet houden met verschillende wensen en behoeften én met de verschillen in zelfredzaamheid.

Los van de wensen en voorkeuren zijn er regels om rekening mee te houden. Nu al zien we een groeiende groep mensen die zelfstandig thuis woont, terwijl dat steeds moeilijker wordt. Helemaal zelfstandig thuis wonen gaat voor hen eigenlijk niet meer, en voor het verpleeghuis zijn ze vaak nog te goed. Signalen van dit hiaat in het zorgaanbod zien we door een toenemend beroep op de huisarts, meer valincidenten, onder andere veroorzaakt door medicijngebruik, meer ziekenhuisopnames en ook meer crisisopnames in de verpleeghuizen. Ik betoog dat er een wereld te winnen is als we het gat tussen ‘thuis’ en het verpleeghuis met nieuwe woonconcepten kunnen dichten.

Wat moet er gebeuren?

Willen we een samenleving creëren waarin mensen prettig oud kunnen worden, dan begint dit met het zorgen dat mensen tot aan het einde van hun leven mee kunnen blijven doen. Een sociaal netwerk en het behoud van een doel in het leven zijn belangrijk voor het welbevinden, net zo goed als de mate waarin mensen zelfstandig kunnen beslissen over de invulling van hun leven. Er moet dus geïnvesteerd worden in wijken als leefgemeenschap en in woonconcepten waarmee zelfstandigheid wordt bevorderd, het sociale netwerk wordt uitgebreid en eenzaamheid wordt bestreden. Hierdoor zal de kwaliteit van leven omhoog gaan en zullen de kosten voor zorg uitgesteld of teruggedrongen worden. Deze ontwikkeling is de volgende stap in het bestaande beleid van aging in place: zelfstandig oud worden in de eigen woning of buurt, door gebruik te maken van de eigen hulpbronnen en van een pakket van zorg- en welzijnsvoorzieningen (Van Dijk 2015; Lager 2015; Thomas en Blanchard 2009 2011 in Langer zelfstandig, CPB, 2017).

Binnen ‘het veld’ kijken we graag naar de Knarrenhof en de Leyhoeve; nieuwe woonprojecten met een goede verbinding naar de wijk. In deze woongemeenschappen wonen mensen in meer of mindere mate zelfstandig, maar wel mét elkaar. Aan de lange wachtlijsten voor deze nieuwe woonvormen, en de mate waarin mensen steeds vaker geneigd zijn om te verhuizen (CBS, 2018) lezen we een groeiende behoefte aan woonvormen af. Deze woonvormen bieden beschutting en faciliteren ontmoetingen, maar geven ook de gelegenheid om faciliteiten te delen en diensten en zorg te ontvangen. Ideaal is een wijk met een mix van ‘gewone’ woningen tot een woonvorm met 24-uurszorg en alles daar tussen. De woningtypes lopen in elkaar over in een leefomgeving met voorzieningen die uitnodigen tot ontmoeten.

Voorbeelden zijn er, naast de Knarrenhof en de Leyhoeve, te over. Denk aan de Ommershof bij Oosterbeek, een woonpark voor vegetariërs boven de 55 jaar, of het Thuishuis, een woonconcept voor alleenstaande 60-plussers. In Nijmegen is een meergeneratie-woongemeenschap gerealiseerd, in een ecologische wijk. Het aantal voorbeelden is groot, maar de omvang van het aanbod laat stevig te wensen over.

Ga aan de slag!

De lokale overheid moet gestimuleerd worden om een divers en levensloopbestendig woningaanbod te organiseren. Van alle gemeenten in Nederland heeft slechts de helft beeld van de mate waarin het huidige woningaanbod past bij de lokale demografische ontwikkeling. Er moet meer structureel zicht zijn op gemeenteniveau over zorgvraag, het aantal geschikte woningen en over sociale veiligheid. Op basis daarvan moeten gemeenten, woningcorporaties, zorgorganisaties, ondernemers én particulieren aan de slag kunnen met nieuwe woonvormen in combinatie met de inrichting van de wijken. Soms kleine initiatieven, soms wat groter. Soms gericht op gezamenlijk- of hofjeswonen, soms meer gericht op zelfstandigheid. Maar wel toekomstbestendig: niet te groot, gelijkvloers, met domotica en technische ondersteuning, met mogelijkheden om ook te blijven wonen als er beperkingen optreden of als er zorg nodig is.

De uitdaging ligt vervolgens in het (kosten)efficiënt organiseren van zorg op het moment dat dit nodig is. Dat vergt investering in eHealth, technologische vernieuwingen, inzet van telecommunicatie, verandering in de organisatie van de zorg en het doorbreken van systemen en schotten.

Wens en realiteit liggen nog ver uit elkaar, en de inrichting van onze naoorlogse wijken helpt niet echt mee aan het creëren van meer gemeenschapsgevoel en het zorgen voor andere vormen van sociale netwerken. In veel bestaande wijken zijn nog steeds nette functiescheidingen aangebracht tussen wonen, recreëren en werken. Daar moeten we vanaf en dat kost tijd en geld. Dat mag ons echter niet weerhouden om aan de slag te gaan.

Samenwerking tussen marktpartijen, financiers en gemeenten is nodig en dit gaat niet vanzelf. Wij hebben minister De Jonge eerder opgeroepen de vrijblijvendheid waarmee gemeenten dit aanpakken een halt toe te roepen. Het is tijd voor een dwingende opdracht. Het ligt voor de hand dat de gemeenten deze rol op zich nemen, maar de tijd van afwachten is voorbij. Met elkaar moeten we onze huisvesting naar een hoger plan tillen, zodanig dat we prettig en gezond ouder kunnen worden, zonder vermijdbare en overbodige zorg.

ANBO.nl maakt gebruik van cookies
anbo.nl plaatst cookies om het gebruik van de website te analyseren en om het mogelijk te maken inhoud via social media te delen. De website maakt ook gebruik van functies van derden die mogelijk cookies kunnen plaatsen. Door deze melding weg te klikken of gebruik te blijven maken van de site stemt u in met het plaatsen hiervan. In onze disclaimer leest u hier meer over. Sluiten