Wel, of juist niet een verzorgingshuis?

Willen mensen die ouder worden wél of juist niet in een verzorgingshuis wonen? Die vraag stond centraal in de uitzending van Nieuwsuur van 23 mei jl. Aanleiding was een opmerking van Omroep Max-directeur Jan Slagter, dat de verzorgingshuizen terug moeten. VVD-wethouder in Amsterdam, Eric van den Burg, was het met Slagter eens en stelde op Twitter: “door verzorgingshuizen opnieuw in te voeren zorg je voor doorstroming op de woningmarkt, bestrijd je eenzaamheid, verminder je het personeelsprobleem in de zorg (minder tijdsverlies door reizen) en bestrijd je armoede onder deze doelgroep”. ANBO-directeur Liane den Haan stelde daar tegenover dat ‘het verzorgingshuis terug’ geen oplossing voor iedereen is, maar dat er meer keuze moet komen in de manier waarop je wilt wonen als je ouder wordt. Nu is er nauwelijks keuze tussen helemaal zelfstandig wonen en de eindfase, waarin mensen die niet meer zelfstandig kunnen wonen een indicatie krijgen voor het verpleeghuis.

Ook professionals hebben verschillende meningen

Op sociale media gaat de discussie vrolijk door, en saillant is dat ook de meningen van de professionals verschillen. De Oostvoornse huisarts Sigurd den Haan (geen familie) stelt op Twitter dat “meer dan 90% van ouderen verzorgingshuis graag als keuze heeft”. Terwijl de Leidse geriatrisch internist Simon Mooijaart daar tegenover stelt dat ouderen inderdaad niet allemaal naar een verzorgingshuis willen. Het zijn voorbeelden; meer dokters reageren via Twitter met tegengestelde beweringen hierover. Is dat erg? Nee. Het bewijst nu net dat een goede en passende woning cruciaal is voor een goede kwaliteit van leven. 

Een aantal achtergronden nuances in deze discussie

Het percentage zelfstandig wonende senioren die ook zelfstandig blijven wonen als ze zorg en ondersteuning nodig hebben, schommelt in ANBO-onderzoeken al jaren rond de 90 procent. Dit zegt iets over hun voornemen en over de manier waarop mensen hun oude dag zien. Het rijksbeleid is hierin mee gegaan, deels vanwege cultuurverandering bij ouderen zelf, deels uit bezuinigingsoogpunt.

Hóe men dat wil doen verschilt, onder andere door de diversiteit van de groep, zo blijkt ook onder andere uit onderzoeken van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) en het Nivel. Zo heeft het Nivel toekomstige ouderen geprofileerd in vier categorieën. Pro-actieve ouderen (46 procent) vinden het belangrijk om over hun eigen leven te beslissen en zelf te bepalen wanneer ze zorg en ondersteuning nodig hebben. Deze mensen regelen hun zaken graag zelf en kunnen dat ook. Zorgwensende ouderen (28 procent) hebben het gevoel dat zij zelf kunnen beslissen over hun leven, maar zij vinden, in tegenstelling tot de proactieve ouderen, zelfredzaamheid niet erg belangrijk. Zij hebben een goed sociaal netwerk, veelal een goede opleiding en ruime financiële middelen. Hun gezondheid en kwaliteit van leven zijn relatief goed. Als hun gezondheid achteruit zou gaan en ze hulp nodig hebben, is het voor hen min of meer vanzelfsprekend dat anderen hen ondersteunen om die hulp te krijgen. Afwachtende ouderen (10 procent) hebben het gevoel niet zelf te kunnen bepalen hoe hun leven eruit ziet.. Deze mensen hebben vaak een slechte kwaliteit van leven en psychische gezondheid en een laag opleidingsniveau. Deze groep heeft minder financiële middelen en een beperkter sociaal netwerk dan de eerste twee groepen. De afwachtende oudere hecht weinig belang aan zelfstandigheid, stelt zich afhankelijk op en accepteert makkelijk hulp. De machteloze ouderen (16 procent) tenslotte, hebben ook het idee dat het leven hen overkomt. Zelf beslissingen nemen over de invulling van hun eigen leven lukt vaak niet. Zij wonen vaak alleen, hebben weinig geld, zijn laag opgeleid en hebben een lage kwaliteit van leven. Ze wonen vooral in stadswijken met een lage sociale status. Deze ouderen willen zo lang mogelijk zelfstandig blijven, maar zij kunnen dat niet zonder professionele ondersteuning.

Woningaanbod aangepast op wensen en behoeften

Met deze profielen in gedachten is het niet raar om te stellen dat het woningaanbod rekening moet houden met verschillende wensen en behoeften én met de verschillen in zelfredzaamheid. Zelfredzaamheid is afhankelijk van heel veel factoren: gezondheid, zorgbehoefte, omvang van het actieve netwerk, mate waarin mensen om hulp willen en kunnen vragen, financiële middelen (ook voor een eventuele woningaanpassing), opleidingsniveau en meer.

Belangrijk om te realiseren dat de zorgbehoefte het zwaarst is in de laatste twee jaar van het leven, en dat daarvoor vooral behoefte is aan hulp en ondersteuning. Dat geldt overigens niet voor alle mensen. In 2016 maakten iets meer dan 1 miljoen Nederlanders gebruik van een maatwerkvoorziening in het kader van de Wmo, zo bleek uit onderzoek van het CBS. Dit zijn niet alleen ouderen, maar ook chronisch zieken, jongeren, mensen met een beperking. Hulp en ondersteuning kan variëren van dagbesteding, huishoudelijke hulp en vervoer tot woningaanpassingen, hulpmiddelen en maaltijdservice.

Behoefte verandert

In Nederland stijgt de levensverwachting, en daarbinnen zijn een aantal ontwikkelingen te onderscheiden:

  • Meer mensen met meerdere chronische aandoeningen die daarmee een groter beroep gaan doen op zorg thuis;
  • Meer problemen rond het bewegingsapparaat: mobiliteit neemt af;
  • Meer psychosociale problematiek: een trend naar meer één persoonshuishoudens en problematiek rond eenzaamheid;
  • Meer psychische problemen: meer mensen met (beginnende) dementie.

Deze mensen wonen sinds de beleidswijzigingen steeds langer zelfstandig, eventueel met hulp of zorg thuis. Uit het onderzoek 'Langer zelfstandig' (2017) van het SCP, dat een groep van bijna 1800 65-plussers veertien jaar volgde bleek het volgende. Van de 65-plussers zonder chronische aandoening woont driekwart na veertien jaar zelfstandig; van de groep met meer dan een chronische aandoening is dat slechts de helft, en van de mensen met cognitieve beperkingen nog maar een derde. De anderen zijn verhuisd naar een verzorgings- of verpleeghuis of zijn overleden.

Daarnaast zijn materiële, mentale en sociale hulpbronnen relevante factoren. Van de 65-plussers met aanvankelijk een laag inkomen woont na veertien jaar 50 procent nog zelfstandig en van degenen met een hoog inkomen 60 procent. Psychische en sociale hulpbronnen tonen vergelijkbare effecten. Zo woonde van de 65-plussers die weinig regie over het leven ervaren, na veertien jaar 10 procent minder zelfstandig dan van degenen die meer regie ervaren. Van de 65-plussers met een groot sociaal netwerk woonde na veertien jaar twee derde nog zelfstandig, tegen minder dan de helft van degenen met een klein sociaal netwerk.

Geen 'groep'

Tussentijdse conclusie: ouderen zijn geen homogene groep en de persoonlijke behoeften verschillen aanmerkelijk wanneer men karakter, opleidingsniveau, financiële middelen, gezondheid, huidige woning en huidig netwerk in ogenschouw neemt. Dus ook de (toekomstige) woonbehoefte varieert.

Het verzorgingshuis terug?

Het oude verzorgingshuis was een faciliteit waarbij mensen met een lichte of toekomstige zorgbehoefte intramuraal ging wonen, waarbij zij vaak een kleine eigen ruimte hadden, en alle voorzieningen – koken, eten, activiteitenbegeleiding, wassen, wandelen etc. - gezamenlijk waren. De groep bewoners was groot en meestal niet samengesteld op basis van wederzijdse interesses en gelijkgestemdheid. Bovendien is het verpleeghuis inmiddels geëvolueerd; een gevoel van thuis bieden is een van de belangrijkste prioriteit geworden en de behoeften van de cliënt staan centraal. Het oude verzorgingshuis werkte nog niet op die basis: er was weinig privé-ruimte, het dagritme werd van bovenaf vastgesteld en individuele behoeften werden minder belangrijk. 

Wanneer we aan mensen zelf vragen hoe zij willen wonen, dan sluit men een vorm van gezamenlijkheid zeker niet uit. Maar ook daaraan is grote variatie te ontdekken. Zelfstandig wonen, zelfstandig met gedeelde faciliteiten, collectief wonen; het aanbod groeit, maar nog niet snel genoeg.

Moet er vanuit de rijksoverheid geïnvesteerd worden in het terugbrengen van het oude verzorgingshuis? Op grond van het bovenstaande is het antwoord nee. Maar moet de lokale overheid gestimuleerd worden om een divers en levensloopbestendig woningaanbod te organiseren? Jazeker! Dat is overigens ook de mening van de gemeente Amsterdam, zoals blijkt uit hun eigen brochure ‘Ouderen wonen in de stad’.

Werk samen aan een gevarieerd aanbod

Van alle gemeenten in Nederland heeft slechts de helft beeld van de mate waarin het huidige woningaanbod past bij de lokale demografische ontwikkeling (Ipso facto, 2016). Dat onderzoek bevestigt het beeld dat het Aanjaagteam Langer Zelfstandig Wonen in haar eindrapportage geeft: er moet meer structureel zicht zijn op gemeenteniveau over zorgvraag, het aantal geschikte woningen en over sociale veiligheid. Op basis daarvan moeten gemeenten, woningcorporaties, zorgorganisaties, ondernemers én particulieren aan de slag kunnen met nieuwe woonvormen. Soms kleine initiatieven, soms wat groter. Soms gericht op gezamenlijk- of hofjeswonen, soms meer gericht op zelfstandigheid. Maar wel toekomstbestendig: niet te groot, gelijkvloers, met domotica en technische ondersteuning, met mogelijkheden om ook te blijven wonen als er beperkingen optreden of als er zorg nodig is. Maar dat is echt iets anders dan ‘het verzorgingshuis terug’. 

ANBO.nl maakt gebruik van cookies
anbo.nl plaatst cookies om het gebruik van de website te analyseren en om het mogelijk te maken inhoud via social media te delen. De website maakt ook gebruik van functies van derden die mogelijk cookies kunnen plaatsen. Door deze melding weg te klikken of gebruik te blijven maken van de site stemt u in met het plaatsen hiervan. In onze disclaimer leest u hier meer over. Sluiten