16 december 2020

Pensioenakkoord: niet indexatie maar kortingen dichterbij

Kortingen blijven waarschijnlijk, verhogingen zijn voor de meeste Nederlanders tot 2026 onhaalbaar. De belofte van minister Wouter Koolmees en sociale partners om indexatie sneller mogelijk te maken, blijkt een dode mus.

Het wordt eerst zeker minder en daarna minder zeker

De komende jaren wordt het voor gepensioneerden met de uitholling van de pensioenen zeker minder, waar het in het nieuwe stelsel minder zeker wordt. Het slechtste van twee werelden wordt zo bijeen gebracht.

Dat concluderen de ouderenorganisaties ANBO, KBO-PCOB en de Koepel Gepensioneerden over het zogeheten transitie-ftk na eerste bestudering van de pensioenbrief die minister Koolmees vandaag naar de Tweede Kamer heeft gestuurd. De ouderenorganisaties hebben zich constructief opgesteld ten opzichte van het nieuwe stelsel, maar concluderen dat de gepensioneerden na twaalf jaar stilstand niet of nauwelijks zullen profiteren van het nieuwe stelsel.

De ouderenorganisaties hebben in overleggen talloze voorstellen gedaan, maar zien daar nagenoeg niets van terug in de brief van de minister. Zij zullen de toelichting in de komende tijd nader bestuderen en in de internetconsultatie uitvoerig op terugkomen.

Cijfers kloppen niet

De cijfers waarop Koolmees zich baseert, zijn gebaseerd op een ‘gemiddeld pensioenfonds’, maar kloppen niet voor grote fondsen als ABP en PFZW. Bij die fondsen zijn echter miljoenen Nederlanders aangesloten. De invloed van de hoogte van de premie en de renteregels drukken de dekkingsgraden bij die fondsen tot 14 procent in plaats van 6 procent, zoals het ministerie meldt. Daardoor dreigen de komende vijf jaar kortingen voor gewezen politieagenten, verpleegsters en ambtenaren. Bovendien neemt de koopkracht van pensioenen met tien procent af als gevolg van niet gecompenseerde prijsstijgingen. Een koopkrachtig pensioen – een belangrijke belofte uit het pensioenakkoord – blijft zo heel ver weg.

Evenwichtig

De minister schrijft dat transparantie en evenwicht uitgangspunten zijn van zijn beleid. Hij noemt daarbij dat uitkeringen ook overeind blijven als de dekkingsgraad onder de 100 (maar boven de 90) procent ligt, waar tegenover de te lage premie staat. De verhouding is daarbij echter niet 1 op 1: de uitkeringen kosten tot 2026 zo’n 1,5 procent dekkingsgraad, de premie 6 procent.

De minister heeft eerder ook gesteld niet aan de renteknop te willen draaien, omdat dat leidt tot herverdeling van vermogens tussen generaties. De dalende marktrente heeft echter al tot grote herverdelingen geleid. Nu de minister ook de lange-termijnrente (UFR), die toch al daalt, nog eens verder aanpast, gaat er nog eens een kleine 100 miljard euro van oud naar jong en gaat de dekkingsgraad alleen maar verder naar beneden. De ouderenorganisaties zijn voor solidariteit tussen generaties, maar missen bij premie en rente het evenwicht tussen die generaties. Voorstellen van de seniorenorganisaties die evenwichtigheid én perspectief voor de geplaagde groep gepensioneerden combineren, zijn afgewezen door de minister.

2021

Dat er volgend jaar niet gekort gaat worden, staat nagenoeg vast, niet alleen door de maatregel van de minister om de 90 procent grens te hanteren, maar zeker ook door de toezegging van PvdA en GroenLinks dat er in 2021  niet mag worden gekort.

Lichtpuntje

Positief is dat tussen sociale partners en minister is afgesproken dat de stuurgroep de vraagstukken van de overgang naar het nieuwe stelsel zal blijven aanpakken. De uitkomsten zijn echter onzeker, waarmee de minister gepensioneerden voorlopig laat bungelen.

Naar overzicht
ANBO Pensioenakkoord: niet indexatie maar kortingen dichterbij
Inkomen