Het nieuwe pensioencontract

Minister Koolmees onderstreept graag dat er naast de bestaande stelsels twee nieuwe pensioencontracten worden toegevoegd. De mogelijkheid van een meer individuele 'verbeterde premieregeling' bestaat al voor ondernemingspensioenfondsen, maar nog niet voor bedrijfstakpensioenfondsen. Dat laatste maakt de minister wettelijk mogelijk. Zie daarvoor de column van onze beleidsadviseur pensioenen Willem Reijn.

Het belangrijkste is 'het nieuwe contract'. Dit stelsel blijft een stelsel met onderlinge solidariteit tussen generaties. Bijvoorbeeld omdat financiële tegen- en meevallers worden gedeeld. En de kosten van een hogere levensverwachting. Heel belangrijk, want Europa eist die solidariteit om een pensioenregeling verplicht te houden. Bovendien heeft het Centraal Planbureau berekend dat onderlinge solidariteit vier tot acht procent welvaartswinst oplevert, afhankelijk van de mate van solidariteit.

De hoofdlijnen van het contract

  • Doel is een regeling waarin je in 42 jaar een pensioen van 80 procent van het gemiddelde loon opbouwt. Het is een premieregeling, maar wel met een duidelijke ambitie. Dat is anders dan een kale premieregeling, waarbij premie in een pot gaat en 'zoek het verder maar uit'.
  • Genoemde ambitie is wat fiscaal mogelijk wordt gemaakt. Per sector bepalen sociale partners welke ambitie ze hebben. Bij ABP is de opbouw bijvoorbeeld 1,875 procent per jaar, bij Zorg en Welzijn 1,75 procent.
  • Het systeem moet transparanter: jongeren moeten zien wat voor hun is gereserveerd in de gezamenlijke pot. Jongeren zijn nu ten onrechte bang dat er straks geen geld meer is, nu zien ze wat er staat. Maar het is geen persoonlijk vermogen.
  • In het huidige contract is sprake van een 'harde' toezegging. Maar in praktijk is die niet meer zo hard. Fondsen moeten zo nodig korten, zoals eerder onder meer in de metaal is gebleken. Het nieuwe contract geeft een 'zachte toezegging'. Ofwel: we gaan er alles aan doen om dit te bereiken maar het kan anders uitvallen.
  • Het moet een 'koopkrachtig' pensioen worden. Dat wil zeggen dat het stelsel is gericht op indexatie. Er kan eerder worden geïndexeerd – maar aan de andere kant ook eerder gekort. Nu moeten er eerst enorme buffers worden opgebouwd van zo'n 30 procent van het vermogen voordat volledig mag worden geïndexeerd. Dat hoeft niet meer: direct boven de 100 procent dekkingsgraad mag er worden uitgekeerd, maar daaronder moet ook meteen worden gekort.
  • Feitelijk gaat het overigens niet meer om indexeren, maar is het nieuwe contract een soort 'winst- en verliesrekening'. Winsten en verliezen worden onafhankelijk van de inflatie direct gedeeld.
  • Om pensioenen niet te hard te laten variëren, worden mee- en tegenvallers over tien jaar uitgesmeerd. Globaal werkt het systeem als volgt: bij een dekkingsgraad van 105 procent, mag 5 procent worden uitgekeerd (dan wel bijgeschreven bij de rechten van actieve deelnemers) over tien jaar gespreid. Ofwel 0,5 procent per jaar. Als daar een volgend jaar weer 4 procent bijkomt, gaat het pensioen tien jaar met 0,4 extra omhoog, dus 0,9 per jaar. Maar bij een tegenvaller in het derde jaar van 6 procent, moet er weer 0,6 procent af, dus per saldo 0,3 erbij. Zo is er stabilisering. In praktijk ziet het model er iets gecompliceerder uit, daar komen we in de toekomst op terug.
  • De dekkingsgraad wordt gebaseerd op de marktrente. Omdat pensioenen nu maar ook over tachtig jaar moeten worden uitgekeerd, is er feitelijk sprake van een lange reeks rentes die samen de rentetermijnstructuur (rts) vormen. De rente is historisch laag: op de dag dat het principeakkoord werd gepresenteerd, kwam de Nederlandse tic jaarrente op het laagste niveau ooit: 0,05 procent negatief. Omdat de verplichtingen worden uitgerekend tegen de marktrente, staan de dekkingsgraden (beleggingen/verplichtingen x 100) ernstig onder druk.
  • De rentetermijnstructuur met de lange-termijnrente, de ufo, was onderwerp van studie van de commissie Dijsselboom. De conclusies van Dijsselbloem c.s. zijn dat de ufo nagenoeg wordt afgeschaft, wat lagere dekkingsgraden tot gevolg heeft.
  • De premie die werkenden betalen moet voortaan ook worden berekend op basis van de rts met die verlaagde ufr. Nu wordt die geheven op basis van een voorzichtig verwacht rendement. Bij de twee grootste fondsen ABP en PFZW is de premie op 2,8 en 2,6 procent gebaseerd. Omdat die hoger is dan de rekenrente voor de fondsen, wordt er fors verlies geleden op die extra aanspraken. De verhouding tussen de feitelijke en de benodigde hoogte van de premie heet de dekkingsgraad. Bij veel fondsen ligt die nu rond de 80 procent. Om ze op de juiste hoogte te krijgen, zouden de premies een kwart moeten stijgen – of de aanspraken moeten lager. Het is onduidelijk hoe men dit wil realiseren.
  • Over aanspraken gesproken: de politiek wil breed van de huidige opbouw af (de kwestie van de doorsnee-systematiek). Nu is er sprake van een opbouw die onafhankelijk is van de leeftijd. De premies zijn voor alle leeftijden hetzelfde en je krijgt er bij Zorg en Welzijn 1,75 procent pensioenopbouw per jaar voor terug. Jongeren betalen hiermee voor oudere werknemers. Immers: omdat de premie van een 30-jarige nog 40 jaar kan renderen en dat van een 60-jarige nog maar 6 jaar, zou een jonge werknemer eigenlijk veel minder hoeven te betalen. Dat gaat goed als iedereen in hetzelfde fonds blijft: de jongere wordt dan later ook gesubsidieerd. Maar nu mensen meer van baan wisselen, wil de politiek er van af. Een oplossing dat de oudere veel meer zou moeten betalen, tot 35 procent premie, is onwenselijk. De oplossing: de premie blijft gelijk maar jongeren krijgen meer opbouw per jaar dan ouderen. Dat heet een degressieve opbouw.
  • Een fijn plan, maar met een hoge prijs. Naar schatting kost dit € 50 miljard! En de middengroep van vooral 40 tot 55 jaar betaalt die rekening. Zij hebben immers voor de ouderen betaald toen ze jong waren, maar krijgen die subsidie niet terug. Dat zou tot 9 procent pensioen voor een 45 jarige kosten. Partijen willen deze dreigende achteruitgang voorkomen en zien drie bronnen voor compensatie. Door beter per leeftijdsgroep te beleggen, moet er meer geld beschikbaar komen. De premies moeten – tenminste - op het niveau van 2017 blijven. Allerlei toeslagen op de premie blijven gehandhaafd. En er zou een procent of 4 uit het vermogen van de pensioenfondsen kunnen komen. Dat betalen alle deelnemers dus samen – inclusief de gepensioneerden, die hier niet rechtstreeks mee te maken hebben. Omdat het gat per pensioenfonds verschilt, zal ook per fonds een oplossing moeten worden gevonden. Daarbij kunnen de verschillende bronnen worden ingezet, bijvoorbeeld zowel premie als 2 procent uit het vermogen. Zolang het maar evenwichtig is.
  • Deelnemers kunnen bij pensionering 10 procent van hun 'pensioenpot' in één keer opnemen (lump sum) in plaats van de hoog-laag-regeling, een stukje keuzevrijheid. Nog niet helemaal duidelijk is hoe dit fiscaal uitpakt.
  • Het nabestaandenpensioen moet uniformer over alle pensioenfondsen. Het is nu een lappendeken van regelingen, die mensen in problemen kan brengen als ze van pensioenfonds veranderen.
  • Er komt een overgangsregeling. Fondsen hoeven niet meer te korten als ze meer dan vijf jaar onder de 104,3 procent (het minimum eigen vermogen) zitten, zoals nu het geval is. Wel moeten ze korten als ze onder de 100 procent komen, want dat zou in het nieuwe stelsel ook moeten.

Eerste beoordeling ANBO

Feitelijk moet nog heel veel worden uitgewerkt en is veel onduidelijk. We zijn het eens met de solidaire uitgangspunten van het stelsel: geen pech- of geluksgeneraties, delen van de kosten bij een stijging van de levensverwachting, een duidelijke ambitie voor het te bereiken pensioen.

ANBO vindt het echter een gemiste kans dat er niet met een andere rekenrente wordt gewerkt. Bij een rekenrente van 2 procent zouden de grote fondsen – over de duim - van 100 procent dekkingsgraad nu naar 120 procent gaan. Dat geeft beter aan hoe gezond ze zijn. Met 1,1 procent als rekenrente (en inmiddels al lager met de nog steeds dalende rente) reken je jezelf arm. Merkwaardig: die rekenrente ligt ruim onder de inflatie. En ook: de rendementen van de fondsen liggen een stuk hoger – hoewel ook die niet meer op de niveaus van de afgelopen decennia zullen terugkeren.

Voorzichtige rekenrente

Een hogere rekenrente zorgt er niet voor dat er meer geld komt. Het gaat om een andere verdeling van de € 1.433 miljard die nu in de potten zit. Die verdeling vindt nu ook plaats: er is voor honderden miljarden van oud naar jong gegaan omdat de lage rente over lange tijd harder door tikt. En de werkenden in het algemeen hebben te weinig premie betaald. Maar gepensioneerden kregen gewoon 100 procent pensioen toen de dekkingsgraden naar 90 procent daalden.

Met een voorzichtige rekenrente van 2 procent zou ruimte ontstaan om bijvoorbeeld de middengroepen te compenseren, wat noodzakelijk is. Maar ook om de pensioenaanspraken van werkenden en de uitkeringen van gepensioneerden wat te verhogen. De pensioenen zijn immers bijna 20 procent minder waard geworden. Dat merkt de gepensioneerde vandaag bij de kassa en de werkende morgen als ie met pensioen gaat.

Schijnzeker

Gaan we er met dit systeem op vooruit? Ja, zij het met mate. Met de huidige regeling zouden indexaties ook in de komende vijftien jaar bijna onhaalbaar zijn omdat er eerst krankzinnig hoge buffers moeten worden opgebouwd. Indexering komt nu sneller. Net als kortingen. Dat vinden wij op zich aanvaardbaar. Ook het toegezegde pensioen in het huidige systeem blijkt niet zo zeker – eerdere schijnzeker.

Overigens blijven kortingen in de overgang ook goed mogelijk. De grote fondsen zijn nu onder de 100 procent gezakt. Een relatief voordeel: die fondsen zouden nu moeten korten vanaf 104,3 procent. Staat een fonds op 96,3 procent, dan is dat 8 procent (dus 0,8 procent per jaar, tien jaar lang). Bij de overgang komt het neer op 3,7 procent (want vanaf 100 procent). Dus 0,37 procent per jaar. Wij denken dat dit een – toegegeven: relatieve - winst is. Maar straks mag ook sneller worden geïndexeerd. In het huidige systeem zijn die kortingen nauwelijks meer goed te maken, omdat indexatie pas vanaf 110 procent zeer geleidelijk mag en bij 130 procent pas volledig.

Gemengde gevoelens

Wat vervelend is: met de lage rente hebben gepensioneerden de hele economische bloei aan hun portemonnee voorbij zien gaan. En het nieuwe systeem wordt geïntroduceerd op een moment dat het economische tij lijkt te keren. Dat is geen geweldig vooruitzicht, maar misschien valt het mee.

Zoals we eerder schreven: gemengde gevoelens. Er is verbetering ten opzichte van het huidige stelsel, maar of indexatie inderdaad dichterbij komt is zeer de vraag. Je kunt een nieuw stelsel afwijzen, maar besef dat je dan in het huidige stelsel gevangen blijft, zonder perspectief.

Laag salaris

Het is vooral lastig om een contract te beoordelen dat nog helemaal uitgewerkt moet worden. De premie en wat de deelnemer er voor terug krijgt, is een raadsel. Het afschaffen van de doorsnee-opbouw is begrijpelijk, maar lijkt toch redelijk onbetaalbaar. Bovendien is ons niet duidelijk of het verstandig is de nadruk van de pensioenopbouw te leggen in een periode dat jongeren vaak geen of weinig pensioen opbouwen en dan ook nog eens over een laag salaris.

ANBO kan zich vinden in de hoofdlijnen van het akkoord, maar de invulling laat nog veel te wensen over. En de prijs is hoog als we niet veranderen van rekenrente.

Tekenen van een contract met laptop erbij