Hoe zit het met het pensioenakkoord?

De onderhandelingen over een pensioenakkoord zijn gisteravond zijn gisteravond geklapt. ANBO hoopt dat partijen toch weer aan tafel gaan zitten, want de problemen in het huidige stelsel zijn groot. Onze analyse van een complexe materie en hoe denkt ANBO hier over? Een flink verhaal, dus ga er maar even voor zitten.

Waarom een nieuw stelsel?

Het huidige stelsel is volgens bureau Mercer het beste ter wereld. De pensioenen zijn kapitaalgedekt, dat wil zeggen dat er voor elk toegezegd pensioen nu en in de verre toekomst geld is gespaard. Dat geld komt uit premies, maar vooral uit rendementen op het belegde geld. Er zit al zo’n 1400 miljard euro in kas. Dat is anderhalf keer ons nationaal inkomen. Nergens is zoveel gespaard als in Nederland. Vrijwel nergens is er ook zo weinig armoede onder ouderen. 

Tegelijkertijd is de waarde van pensioenen gedaald, omdat door strenge regels de pensioenen niet kunnen meestijgen met de inflatie Het pensioen van miljoenen Nederlanders is al zo’n vijftien procent minder waard geworden, zowel van gepensioneerden als van werkenden.

Bovendien zijn de (reken)regels rigide. De pensioenpot groeide in tien jaar van circa 800 naar 1400 miljard euro, terwijl de pensioenen minder koopkracht kregen. En dan zouden de pensioenen van fondsen als ABP, Zorg en Welzijn en de metaalfondsen PME en PMT net als bij tientallen andere in 2020 en 2021 zouden kunnen worden gekort. Net als bij vele tientallen andere fondsen. Zelfs bij een dekkingsgraad tussen de 100 en 104,5 procent zou die korting moeten doorgaan. Dat terwijl er dus genoeg geld in kas zou zijn. Dat tast het vertrouwen in het pensioen aan. Jongeren denken dat er te weinig geld is – wat niet waar is – en gepensioneerden zien elk jaar hun koopkracht onder druk staan.

ANBO is daarom voor het vernieuwen van het pensioenstelsel.

We laten de revue passeren wat er nu ligt.

Het stelsel

Het nieuwe stelsel zou collectief en solidair blijven. Collectief: we bouwen samen verplicht pensioen op. Uit veel studies blijkt dat door het samen te doen de pensioenuitkomst beter is. Solidair: we willen dat er geen geluk- en pechgeneraties ontstaan. Dat is bijvoorbeeld het geval bij mensen die bij verzekeraars een pensioen opbouwden: toen de rente daalde, bleek het pensioen tientallen procenten te dalen. Daar heeft ANBO veel klachten over gehad. Solidariteit heeft natuurlijk wel een grens: je kunt niet tientallen jaren meer uitgeven dan er in kas is. Maar je kunt dipjes wel overbruggen.

Het systeem dat nu werd voorgesteld komt aan die wensen tegemoet. Dat is knap gedaan van de vakbonden, want de liberale politiek en – deels – de werkgevers – wilden een veel individueler pensioen.

Maar er is wel een prijs betaald in het eerdere resultaat. We hebben nu een uitkeringssysteem: alles staat in dienst van de hoogte van de latere uitkering. Dat zou een premieregeling worden. Dat wil zeggen: je stopt geld (de premie) in een pot en kijkt hoe groot de uitkering daarmee wordt. De vakcentrales hebben er veel aan gedaan om in elk geval een doel te stellen. Die ambitie zou 80 procent van het gemiddeld verdiende loon worden (middelloon regeling). Er moet dus voldoende premie worden gestort. Daar zijn werkgevers uiteindelijk mee akkoord gegaan. Iedereen begrijpt echter ook dat premies niet tot in de hemel kunnen groeien.

Rekenregels

Belangrijk onderdeel zijn de rekenregels. Het nieuwe stelsel zou mee- en tegenvallers eerder verdelen. Nu moeten fondsen een dekkingsgraad van circa 125 procent hebben om volledig te indexeren. En vanaf 110 procent mag deels worden geïndexeerd. Fondsen als ABP en Zorg en Welzijn zijn daar nog jaren vandaan, met dekkingsgraden van 102 tot 105 procent. Ook in de komende tien jaar zouden deelnemers dus nog veel koopkracht verliezen.
Het nieuwe voorstel: je deelt uit, maar smeert wel uit over tien jaar. Dat is dus beter dan nu. Je zou tot vijf procent meer pensioen mogen toekennen, vergeleken met nu. Voorbeeld: bij 110 procent mag je tien procent toekennen. Uitgesmeerd over tien jaar, betekent dat 1 procent per jaar, tien jaar lang. Overigens is dat ook maar de helft van de huidige inflatie. Maar wel beter dan nu: momenteel mag een fonds niets toekennen. Daarom vindt ANBO deze verbetering goed. Je krijgt een minder zeker pensioen, maar in het huidige stelsel wordt het pensioen zeker minder.

Uitsmeren

Wel vindt ANBO de uitsmeerperiode te lang. Het is de bedoeling dat mensen meer krijgen als het beter gaat – zoals de afgelopen tijd. Maar met een periode van tien jaar is de band tussen uitkering en economisch bloei nauwelijks voelbaar. Dat geldt overigens andersom ook: als het slecht gaat, begrijpen mensen wel dat ze minder krijgen. Als je gaat uitsmeren, betekent het dat je na tien jaar nog steeds de vermindering voelt, terwijl buiten de zon schijnt. ANBO zou liever een periode van vijf jaar hanteren, wetende dat dat ook nadelen heeft. Immers: pensioenen gaan iets meer dalen en stijgen.

Doorsnee-opbouw

Los van het stelsel wil de politiek dat de opbouw van pensioen anders zou worden. Historisch is het zo dat jongeren relatief te veel premie betalen en oudere werknemers te weinig. Dat is zo gegaan, omdat bij het invoeren van pensioenen ouderen al pensioen hebben gekregen betaald door de andere werkenden. Die ouderen hadden namelijk zelfs niets kunnen opbouwen, dus dat werd sociaal rechtvaardig gevonden. Daarmee is een impliciete rekening ontstaan, die van generatie op generatie werd voort geduwd. En die rekening is fors: studies wezen op cijfers van 60 tot 100 miljard euro.

Niemand heeft daar last van – tot dingen veranderen. Wie op zijn 45e zzp’ers wordt, heeft altijd wel betaald, maar krijgt de vergoeding niet. En het gaat ook fout als er minder jongeren in een fonds komen: zij moeten met minder mensen de rekening voor de ouderen betalen. Zeker waar bedrijven en bedrijfstakken sneller opkomen en neergaan, is dat een flink risico. Wetenschap en politiek willen daarom een ander systeem. ANBO begrijpt dat, hoewel de echte noodzaak misschien de hoge rekening niet rechtvaardigt. ANBO vindt dat de premies voor oudere werknemers niet hoger mogen worden, omdat zij dan veel te duur zouden worden.

Gekozen is voor een andere opbouw. Jongeren krijgen voor hun premie een hogere opbouw, bijvoorbeeld van 4 procent en ouderen een lagere opbouw, bijvoorbeeld 1 procent. ANBO kan hiermee leven, maar wijst er wel op dat juist jongeren vaak geen of weinig pensioen opbouwen, terwijl hier wel het accent van het op te bouwen pensioen komt te liggen. Dat blijkt nog eens uit een CBS-rapport van deze week.
Bij dit andere systeem ligt de rekening bij de groep van 35 tot 55. Zij betalen wel maar moeten nu gecompenseerd worden. De schade kan tot 7 procent pensioenopbouw oplopen. De vakbonden willen zekerheid over die compensatie.

Dus... de oplossing ligt in de rekenrente

Een deel van de rekening zou bij de pensioenfondsen komen te liggen. Dat kan in principe niet, vindt ANBO. Immers: als een deel van het vermogen voor de rekening van de doorsneeproblematiek wordt gereserveerd, gaat dat ten koste van de dekkingsgraad. En dat gaat weer te koste van de indexatie en dus ook van de gepensioneerden, die de hele cyclus hebben doorlopen van teveel premie betalen en later worden gecompenseerd. Overigens zou het wel kunnen als de rekenrente verandert – waarover hieronder meer.

Rekenrente

Zoals in het begin gesteld: een nieuw stelsel biedt minder zekerheid, maar wel meer uitzicht op een hogere uitkering. De huidige harde toezegging in euro’s oftewel de nominale toezegging vraagt hoge zekerheden. Die zijn vertaald in een uiterst lage rekenrente en hoge buffers. Gevolg is dat het pensioen nu elk jaar minder waard wordt.

Waar dus zekerheid wordt beloofd, wordt onzekerheid geboden. Want wat kan ik straks nu eigenlijk kopen van dat pensioen?
Bovendien rammelt het huidige stelsel: voor de premie wordt een voorzichtig verwacht rendement gebruikt. Bijvoorbeeld een rente van 2,7 procent. Maar de bijbehorende toezegging moet tegen een rekenrente van 1,5 procent op de balans worden gezet. Oftewel: feitelijk wordt op elk euro premie 40 cent ‘verlies’ geleden.

Hoe dan?

Dat moet anders, vindt iedereen. Maar hoe? In het nieuwe systeem zou de premie gebaseerd worden op de markrente, dus die 1,5 procent (gemiddeld: pensioenfondsen werken met een rentetermijnstructuur met rente van 1 tot 60 jaar). Maar dan moeten de premies of enorm stijgen, of de toezegging moet flink lager. Kortom: daar wordt geen werkende blij van en ANBO denkt dat het draagvlak onder ons pensioenstelsel dan onder druk komt.
De oplossing: we zeggen minder toe, maar zetten er wel bij wat je normaal mag verwachten. ANBO denkt dat daarmee zowel het vertrouwen als de begrijpelijkheid afneemt. Dat kan niet de bedoeling zijn.

In het voorgestelde stelsel zou de toezegging dus minder hard zijn. En bij een minder harde toezegging mag je een andere rekenrente gebruiken. De hele problematiek is opgelost als je voor berekening een voorzichtig verwacht rendement gebruikt. Ofwel: die 2,7 in plaats van 1,5 procent. Dat is riskanter dan nu. Maar zorgt wel dat je meer opbouwt en meer uitkeert. Minder zeker, maar zoals gezegd: nu krijgt iedereen zeker minder.

De onderhandelaars hebben dit punt doorgeschoven naar de commissie parameters, die volgend jaar weer aan de slag mag. ANBO is dus voor een andere rekenrente, maar niet voor de befaamde oude 4 procent. Dat is veel te risicovol. Dan zou je kunnen zeggen dat de ouderen de ruif leegeten ten koste van de werkenden. Zoals je nu kunt zeggen dat de werkenden te weinig premie betalen ten koste van de ouderen.

We rekenen ons arm

Een hogere rekenrente wordt door veel deskundigen aanvaardbaar geacht – maar door anderen niet. ANBO vindt dat we ons nu arm rekenen – en is tegen rijk rekenen. Maar door arm te rekenen ontstaat er nog een ander probleem: waar moet die compensatie van de doorsneeproblematiek vandaan komen? Bij een iets hogere rekenrente komt er wel degelijk geld vrij. Dat zou daarvoor kunnen worden aangewend.

Andere lange rente

Dat zit ook in een heel technisch detail: de lange rente. Die is nu kunstmatig (ultimate forward rate, ufr) omdat na twintig jaar de markt niet meer goed werkt. Nederland gebruikt echter een veel lagere ufr dan Europa. In Europa ligt die boven de 3 procent, in Nederland boven de 2 procent. Voorstel was, maar niet akkoord bevonden, om in Nederland de Europese ufr te gebruiken. Dat zou bij de grote fondsen vijf tot zes procent extra dekkingsgraad opleveren. Iedereen blij: de helft naar de rekening van de doorsnee-opbouw, de andere helft in de pensioenen (uitkeren en opbouw). Maar ook dit onderwerp is doorgeschoven naar de commissie van deskundigen.

ANBO denkt dat zonder een andere rekenrente een nieuw stelsel heel moeilijk zal worden. En dat vinden de bonden ook. Dus ook bij een akkoord zou een flinke ‘disclaimer’ gelden voor de uitwerking. Een nieuw stelsel moet verbetering en oplossingen brengen, anders moet je er niet aan beginnen.

AOW en de 'boete' op vroegpensioen

ANBO stelt dat de versnelling van de verhoging van de AOW moet worden teruggedraaid en dat de verhoging vervolgens in de verhouding werkjaren/aow-jaren zou moeten staan. Dat kan per jaar langer leven dus niet een jaar langer werken zijn. 

ANBO begrijpt inhoudelijk niet dat het kabinet hier niet soepeler is geweest. Immers, eerder heeft de politiek met loze beloften over zware beroepen de hogere AOW-leeftijd er doorheen gejast. Dan moet het kabinet het niet raar vinden dat de vakcentrales nu zekerheden eisen in plaats van nieuwe beloften.

RVU

Dat geldt ook voor de boete die de overheid heft op regelingen waarbij mensen eerder kunnen stoppen met werken, de zogeheten rvu-heffing. Het kabinet heeft aangegeven die boete te willen halveren, wat de vakcentrales te karig vinden. ANBO vindt de rvu-boete van tafel moet. Niet om grootschalige vut-regelingen te introduceren, maar om de mensen die in de knel komen te helpen. Per sector kunnen sociale partners dan bekijken wat hiervoor nodig is, zonder dat de overheid met een boete die oplossing in de weg staat.

Zzp

Nederland kent weinig armoede onder ouderen door de combinatie van AOW en pensioen. Maar met een miljoen zzp’ers die te weinig pensioen opbouwen, creëren we nu de problemen van morgen. Dat heeft flinke gevolgen: zzp’ers kunnen nu oneigenlijk concurreren omdat zij geen pensioenpremie betalen. En straks kunnen mensen met te lage inkomens beroep doen op sociale voorzieningen. Wil Nederland een sociaal land blijven, dan moeten zoveel mogelijk mensen aan het huidige stelsel deelnemen.

ANBO ziet dat er slechts kleine stapjes zijn gemaakt op dit dossier. Het zou geen reden zijn nu te stoppen met de onderhandelingen, maar in de uitwerkingsfase zou dit onderwerp toch hoog op de agenda moeten staan.

Conclusie

Het huidige niet-akkoord heeft goede uitgangspunten en biedt perspectief op flinke verbeteringen. Maar tegelijkertijd zijn er nog veel belemmeringen voor daadwerkelijke stappen vooruit. ANBO roept het kabinet op om concretere handreikingen te doen en de vakcentrales om na wat stoom afblazen een eventuele uitgestoken hand met nieuwe inzet aan te nemen.

Gepensioneerden merken dag-in-dag-uit hoe belangrijk pensioen is. Zeker nu zij door een terugtredende overheid meer op zichzelf zijn teruggeworpen. Willen we voor elkaar blijven zorgen, hebben we behalve een groot hart ook een behoorlijke portemonnee nodig. Om boodschappen te doen voor de buurvrouw, om bij een op afstand wonende zus op bezoek te gaan en verband te verschonen. De huidige impasse in Den Haag biedt geen antwoord op die menselijke zaken.

 

 

ANBO.nl maakt gebruik van cookies
anbo.nl plaatst cookies om het gebruik van de website te analyseren en om het mogelijk te maken inhoud via social media te delen. De website maakt ook gebruik van functies van derden die mogelijk cookies kunnen plaatsen. Door deze melding weg te klikken of gebruik te blijven maken van de site stemt u in met het plaatsen hiervan. In onze disclaimer leest u hier meer over. Sluiten